{"id":1466,"date":"2010-01-11T11:44:00","date_gmt":"2010-01-11T10:44:00","guid":{"rendered":"http:\/\/www.asblonweb.be\/APED\/CM\/?p=1466"},"modified":"2017-01-03T23:31:47","modified_gmt":"2017-01-03T22:31:47","slug":"het-competentiegericht-onderwijs-en-het-constructivisme","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/2010\/01\/11\/het-competentiegericht-onderwijs-en-het-constructivisme\/","title":{"rendered":"Het competentiegericht onderwijs en het constructivisme"},"content":{"rendered":"<p class=\"post_excerpt\">Het competentiegericht onderwijs wordt soms voorgesteld als erfgenaam van de pedagogische traditie van het constructivisme. Sinds de theoretische werken van Piaget en Vygotski en door de bijdragen van praktijkmensen zoals C\u00e9lestin Freinet heeft deze benadering het progressieve denken en de bijhorende pedagogische praktijk beheerst van de jaren 1950 tot 1970. En inderdaad, in de theoretische geschriften over het competentiegericht onderwijs (CGO) vindt men vele uitdrukkingen die rechtstreeks uit de werken van de constructivistische pedagogen afkomstig lijken: de wil om \u201cde leerlingen aan het werk te zetten\u201d op \u201cprobleemvelden\u201d, om \u201czin te geven aan kennis en leren\u201d, de aandacht die geschonken wordt aan de \u201cactiviteit van de leerling\u201d als motor voor de \u201copbouw van kennis\u201d, \u2026excuseer van competenties. Maar bij nader onderzoek is het verband totaal ongegrond. Integendeel, het competentiegericht onderwijs situeert zich lijnrecht tegenover de constructivistische of socio-constructivistische pedagogie.<\/p>\n<p><img loading=\"lazy\" decoding=\"async\" class=\" size-full wp-image-1465\" src=\"http:\/\/www.skolo.org\/CM\/wp-content\/uploads\/2010\/01\/arton1162.jpg\" width=\"144\" height=\"190\" \/><\/p>\n<p>Vooreerst moeten we het eens zijn over de betekenis van de woorden. Buiten zijn bijzondere betekenis in de kunstgeschiedenis dekt de term \u201cconstructivisme\u201d minstens twee totaal verschillende theorie\u00ebn, naargelang men zich bevindt in het domein van de psychologie en de pedagogie enerzijds, of van de filosofie, de epistemologie en soms de sociologie anderzijds.<\/p>\n<h2>De twee betekenissen van het woord \u201cconstructivisme\u201d<\/h2>\n<p>In de pedagogie verwijst constructivisme naar een geheel van opvattingen afkomstig uit de werken van de Zwitserse psycholoog Piaget (1896-1980), en meer nog van de Rus Vygotski (1896-1934). Voor deze laatste spreekt men soms van \u201csocio-constructivisme\u201d omdat hij meer het accent legde op het belang van de sociale relaties van het kind (met zijn omgeving, zijn medeleerlingen, zijn leerkrachten) dan op de autonome ontwikkeling van zijn intelligentie.<\/p>\n<p>Het <strong>pedagogische constructivisme<\/strong> benadrukt voornamelijk, gebaseerd op wetenschappelijke waarnemingen, dat begrippen gemakkelijker en effectiever verworven worden als het leerproces een (her)opbouw van kennis bevat, in technische termen uitgedrukt door de deelname van de leerling aan een proces van hypothesen en deducties. Het \u201cin een onderzoekssituatie plaatsen\u201d, de activiteit van de leerling in \u201cprobleemvelden\u201d die \u201czin geven\u201d aan de leerstof, is effectiever dan een benadering van pure kennisoverdracht, enerzijds omdat ze zorgt voor motivering, anderzijds en vooral omdat de wisselwerking van vraagstellingen, pogingen, vergissingen en hypothesen die ze met zich meebrengt, effectief bijdraagt tot een beter inzicht. Het gaat er in zekere zin om de leerling er toe te brengen om op zijn beurt een zelfde of gelijkaardig proces te laten doorlopen als datgene dat bij de ontwikkeling van de kennis die hij studeert plaatshad. Elke wetenschappelijke theorie lijkt historisch gezien immers een antwoord op een vraagstelling, als een product dat ontstaat uit hypothesen en verificaties, maar ook uit vergissingen en conflicten. Alle vormen van kennis zijn historisch gezien \u201csociale en culturele constructies\u201d die ingebed zijn in de idee\u00ebn en de contradicties eigen aan de tijd van hun ontstaan.<\/p>\n<p>In de fysica heeft de theorie van Galilei over het vallen van lichamen het licht gezien in het hart van de strijd om de wetenschap te bevrijden van de ideologische overheersing door de katholieke Kerk. De opvatting van Newton over de gravitatie en de bewegingen van de planeten heeft zich moeten ontwikkelen tegen het cartesiaanse idee in van een wervelende ether. De theorie van het elektromagnetische veld van Faraday en Maxwell heeft haar \u201cdefinitieve\u201d formulering pas na een weg vol bochten en conflicten gekregen. En de ontwikkeling van de kwantummechanica in de 20ste eeuw is \u00e9\u00e9n lang debat tussen vele uiteenlopende interpretaties geweest.<\/p>\n<p>De constructivistische pedagogie beweert uiteraard niet dat elke leerling alles moet herontdekken. Zelfs niet dat de ontwikkeling van kennis op school noodzakelijkerwijze hetzelfde parcours moet doorlopen als de historische ontwikkeling. Men kan leerlingen er toe brengen om elementen van de theorie\u00ebn van Newton en Galilei te ontdekken en te formuleren door te vertrekken van vraagstellingen die vandaag effectiever en zinvoller zijn dan hen onder te dompelen in de culturele context van de 17de eeuw. Het is belangrijk dat de kennis het antwoord biedt op vragen die voor de leerling zinvol zijn en dat hij, door zijn pogingen, zijn hypothesen, zijn vergissingen voldoende deelgenomen heeft aan het proces van de opbouw van zijn kennis om er de draagwijdte van in te zien.<\/p>\n<p>Die noodzakelijke activiteit van de leerling kan talloze vormen aannemen, van het eenvoudige vraaggesprek tussen de klas en de leraar tot de \u201cprojectpedagogie\u201d, voor zover ze effici\u00ebnt geleid en omkaderd wordt. Het goed begrepen pedagogisch constructivisme situeert zich in elk geval ver van het methodologisch fetichisme dat sommigen er hebben willen van maken met hun onwrikbare \u201cin een onderzoekssituatie plaatsen\u201d, \u201copzoeken van documenten\u201d, \u201cindividuele of collectieve productie\u201d \u2026<\/p>\n<p>Het <strong>filosofisch constructivisme<\/strong> daarentegen (soms ook radicaal constructivisme genoemd) stelt niet alleen dat alle kennis die door de mensheid opgebouwd is een sociale constructie is &#8211; hetgeen een historische evidentie is &#8211; het beweert bovendien dat die theorie\u00ebn \u201cslechts\u201d sociale constructies zijn. Dit woordje maakt het hele verschil. Het stelt als dogma dat de theorie\u00ebn die de mens opbouwde nooit en op geen enkele manier aanspraak kunnen maken op het statuut van \u201cobjectieve waarheid\u201d, dat ze \u201cslechts\u201d een relatieve waarde hebben in de sociale, historische en culturele context waarin ze zijn opgebouwd. Daarom wordt deze epistemologische opvatting soms ook \u201crelativisme\u201d genoemd. Voor de radicale constructivist, voor de relativist, bestaat er geen waarheid, er zijn alleen \u201cwaarheden\u201d waarvan geen enkele aanspraak kan maken op superioriteit tegenover andere.<\/p>\n<p>In zijn ogen zijn de antieke opvattingen van de Egyptenaren over de oorsprong van het universum en die van de Big Bang niet minder of meer waar. Zij hebben alleen betrekking op verschillende culturele kaders; zij antwoorden effectief, zowel de ene als de andere, op de vereisten van hun tijd. De absurditeit van een dergelijke stelling is overduidelijk als je ze confronteert met de wetenschappelijke of technologische praktijk. Als je bijvoorbeeld de concepten van Aristoteles over de gravitatie vergelijkt met die van Newton, stel je vast dat de tweede niet alleen toelaten om alle verschijnselen die de eerste beschreven heeft uit te leggen (het feit dat een steen valt, terwijl warme damp opstijgt in de lucht bijvoorbeeld), maar ook de beweging van de maan, de planeten en de kometen evenals de getijden. Zelfs als je vandaag weet dat de theorie van Newton vervangen is door de algemene relativiteitstheorie van Einstein, zelfs als je niet kan uitsluiten dat de anomalie\u00ebn in de beweging van de sterrenstelsels op een dag zullen leiden tot een verdergaande herziening van de theorie van de gravitatie, dan blijft het toch absurd vol te houden dat er geen verschil is tussen de \u201cwaarheid\u201d van de theorie van Newton en die van Aristoteles. In de praktijk is de eerste eenvoudigweg superieur op alle vlakken.<\/p>\n<p>Zoals Jean Bricmont en Alan Socal hebben aangetoond, staat het gezichtspunt van het filosofisch constructivisme of van het relativisme aannemen \u201cgelijk met het afzien van een objectieve waarheid te zoeken en dus ook met het opgeven van het doel zelf van de wetenschap\u201d [Sokal 2005]). Uiteindelijk is het filosofisch constructivisme niet meer dan een postmoderne versie van het oude subjectieve idealisme waarvoor geen realiteit bestond buiten de denkende persoon.<\/p>\n<h2>Een omkering van doelstellingen en middelen<\/h2>\n<p>Laat ons terugkeren naar ons eigenlijke onderwerp, het competentiegericht onderwijs. Als je sommige verklaringen van zijn verdedigers hoort zou je de indruk kunnen hebben dat het CGO zich resoluut inschrijft in de uitgangspunten van de constructivistische pedagogie. Volgens Perrenoud bijvoorbeeld \u201cnemen een deel van de niet geslaagde leerlingen kennis niet op als ze buiten een context staat en afgesneden is van elke praktijk, zoals dat voor het grootste deel van de vakken het geval is op het einde van het basisonderwijs en gedurende het secundair. Voor hen heeft schoolse kennis geen zin zolang ze los blijft staan van haar oorsprong en van haar sociaal gebruik. Het competentiegerichte onderwijs ontwikkelt banden tussen de schoolcultuur en de sociale praktijk\u201d. [Perrenoud, geciteerd door Bosman 2000]. De gelijkenis van dit discours met dat van de constructivistische pedagogie is opvallend. Maar die gelijkenis op het niveau van taalgebruik verbergt een realiteit waarin middelen en doelstellingen volledig omgekeerd zijn.<\/p>\n<p>Het radicale verschil tussen het competentiegericht onderwijs en de constructivistische pedagogie is het volgende: in het eerste (CGO) is de kennis slechts een werktuig, een bijkomstigheid, waarvan men eventueel gebruik kan maken in het uitvoeren van een taak. In een goed uitgewerkte constructivistische opzet daarentegen vormt de kennis het doel zelf van het leerproces. In deze optiek, legt Francis Tilman van l\u2019Atelier de p\u00e9dagogie sociale Le Grain uit, \u201cstaat de kennis niet ten dienste van de competentie (\u2026) maar staan de competenties, anders gezegd het gebruik van de kennis ten dienste van het zich eigen te maken deze kennis\u201d. [Tilman 2005]. In de constructivistische pedagogie zet men een leerling aan het werk op een taak, alleen, in groep of in interactie met de leerkracht, met het doel dat hij doorheen het op te lossen probleem de noodzaak ontdekt van nieuwe begrippen, en er zo toe komt om definities of eigenschappen te formuleren, een wetmatigheid te ontdekken en uiteindelijk ook om zijn vooroordelen, zijn a-priori\u2019s op te geven. De oplossing van een taak, van een \u201cprobleemstelling\u201d, zijn hier een middel, een kader waarbinnen kennis opgebouwd wordt.<\/p>\n<p>In het competentiegericht onderwijs doet men het tegenovergestelde: de oplossing van de taak is het eindobjectief en het slaagcriterium. De kennis zelf komt er maar als hulpmiddel aan te pas. Het heeft geen belang of men ze bezit dan wel ze in een boek of op het internet vindt, of men ze begrijpt of ze correct kan gebruiken, of men ze helemaal beheerst of slechts de aspecten die in de context van de opgegeven taak nuttig zijn. Als de taak maar goed uitgevoerd wordt.<\/p>\n<p>Tussen deze twee benaderingen is de houding ten opzichte van een fout totaal tegengesteld. In de constructivistische pedagogie is het belangrijkste niet dat de leerling de taak helemaal afwerkt, maar dat hij voordeel haalt uit zijn werk (en zijn eventuele fouten) om vooruit te gaan in de ontdekking en beheersing van kennis. In het competentiegericht onderwijs vormt de vooruitgang in kennis geen objectief op zich. Alleen het eindresultaat telt. Weg met het recht op fouten, en vooral, met het gebruik van fouten als pedagogische hefboom.<\/p>\n<p>Men zal ons tegenwerpen dat de dingen in het dagelijkse leven ook zo functioneren. Als ik kalfsragout klaar maak voor mijn vrienden, zal men mij niet vragen of ik het recept van buiten ken, of ik het in een reclamefolder gevonden heb of in een prestigieus kookboek, of op een internetsite waar ik blindelings op vertrouwd heb. Men zal het mij niet kwalijk nemen als ik niet weet van welk deel van het dier het vlees afkomstig is. Men zal niet nagaan of ik kan uitleggen waarom het lichtjes moet aangebakken worden om de pori\u00ebn dicht te schroeien voordat het gekookt wordt met de groenten, of ik begrijp waarom het van het vuur moet gehaald worden om het eigeel toe te voegen en de room er onder te mengen. Dit alles heeft geen belang als het resultaat maar lekker en mooi op tafel komt.<\/p>\n<p>Waarom zou het onderwijs dan anders moeten functioneren? Omdat het doel van de school niet is om kalfsragout klaar te maken, maar om de kunst van het koken te leren. Het doel van de school is niet om een stoomketel in de lucht te schieten, maar om de leerlingen wiskunde en fysica bij te brengen. Het doel van de school is niet om een tekst van Winston Churchill te vergelijken met een tekst van Charles De Gaulle, maar om de leerlingen de feiten en de methode van de historische analyse bij te brengen. Het doel van de school is niet om een dagbladartikel te schrijven of om een gebruiksaanwijzing te lezen maar om de leerlingen de vaardigheden bij te brengen die hen zullen helpen te lezen en te schrijven wat ze nodig hebben of wat ze graag willen. In de constructivistische pedagogie kan het werken aan een dagblad \u2013 zoals de leerlingen van C\u00e9lestin Freinet &#8211; , het werken met historische documenten, het werken op vraagstukken van fysica\u2026of het werken aan een kalfsragout als ondersteuning dienen voor theoretische kennisverwerking; maar dat laatste blijft het doel van elk werk op school.<\/p>\n<h2>Geen waarheid, geen werkelijkheid \u2026<\/h2>\n<p>In het competentiegericht onderwijs is het gebruik dat men van kennis maakt belangrijker dan de kennis zelf. Voor Letor en Vandenberghe \u201cwordt kennis voortdurend in vraag gesteld en (\u2026) is zij dermate complex dat het beter is haar goed te gebruiken dan haar te bezitten\u201d. [Letor en Vandenberghe 2003]. Nogmaals, een dergelijke opvatting is misschien aanvaardbaar in een productiecontext, maar ze is dat helemaal niet in een leercontext. In naam van de effectiviteit de complexiteit niet willen beheersen is een typische productivistische manier van doen die totaal tegengesteld is aan een werkwijze om toegang tot kennis en tot het begrijpen van de wereld te krijgen.<\/p>\n<p>We willen ook even stilstaan bij de idee van \u201ckennis die permanent in vraag gesteld kan worden\u201d. Want het \u201cin vraag stellen\u201d kan twee dingen betekenen: ofwel een overstijgen van oude theorie\u00ebn, ofwel het verlaten ervan. In het eerste geval begrijpen wij de stelling van de auteurs niet goed. Want als de theorie\u00ebn van Einstein bijvoorbeeld duidelijk die van Newton en Maxwell overstijgen, dan is het anderzijds een illusie te hopen de Relativiteit te beheersen zonder vooraf de moeite te doen om de in vraag gestelde theorie\u00ebn helemaal te kennen, te weten de klassieke mechanica en het elektromagnetisme van Maxwell. Als \u201cin vraag stellen\u201d daarentegen betekent dat de oude kennis vlakaf verkeerd is in het licht van de nieuwe, dan beweer je feitelijk dat de wetenschap geen permanente vooruitgang inhoudt, die onze opvattingen zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid probeert te doen aansluiten, maar eenvoudigweg een opeenvolging van \u201crelatieve waarheden\u201d, van \u201cdiscours\u201d is, die veranderen op het ritme van meningsverschuivingen en van culturele evoluties. Met andere woorden, je situeert je dan op het standpunt van het radicale constructivisme, van de relativistische epistemologie.<\/p>\n<p>Het logische eindpunt van die opvatting vind je bij auteurs zoals Ernst Von Glaserfeld: \u201cHet radicale constructivisme is een poging om een kennistheorie te ontwikkelen die vanaf het begin geen illusie zal blijken te zijn door het traditionele uitgangspunt dat de cognitieve activiteit moet leiden tot een \u2018ware\u2019 voorstelling van een wereld die op zichzelf en door zichzelf bestaat, onafhankelijk van degene die hem kent\u201d [Von Glaserfeld, geciteerd door Baillargon 2006].<\/p>\n<p>Aannemen dat er geen wereld is die \u201cop zichzelf bestaat\u201d is het oude solipsisme van de bisschop van Berkeley (1685-1753) herkauwen: er bestaat niets buiten het bewustzijn dat ik heb van dat bestaan. Op het formele vlak kan deze stelling niet aangevallen worden, maar het is een rookgordijn dat onmiddellijk weggeblazen wordt bij de confrontatie met de eenvoudigste dagelijkse handeling. De meest hardnekkige idealistische filosoof twijfelt er niet meer aan dat \u201cde wereld op zichzelf bestaat\u201d als die wereld de vorm aanneemt van een auto die in zijn richting rijdt: hij doet zoals iedereen en gaat wijselijk opzij en aanvaardt zo het objectieve bestaan van de auto en de waarheid van de fysische wetten die de botsing van twee lichamen beschrijven.<\/p>\n<p>De idee dat er \u201cgeen waarheid\u201d zou zijn, dat \u201calle stellingen hun waarde hebben\u201d en eenvoudigweg verschillende opinies uitdrukken, vindt men vaak terug bij de verdedigers van het competentiegerichte onderwijs, want zij hebben die idee nodig om hun misprijzen voor kennis te rechtvaardigen. In het verhaal over een pedagogisch experiment schrijven twee onderzoekers die dicht bij de stroming van het competentiegericht onderwijs staan: \u201cals wij bijvoorbeeld vertrekken van een document dat een debat over de werkloosheid tussen verschillende economische benaderingen weergeeft, zou het dus mogelijk zijn om (de leerlingen er toe te brengen) de idee te aanvaarden dat er geen waarheid bestaat, noch absolute oplossingen (en) dat de mensen elkaar niet omwille van persoonlijke redenen tegenspreken, maar omdat ze op verschillende lezingen steunen die van verschillende hypothesen uitgaan. Zo zouden wij aan de leerlingen kunnen zeggen dat zij niet moeten zoeken wie gelijk heeft, maar de argumenten van het debat moeten begrijpen en analyseren, voor zichzelf een verklaring over de kwestie moeten opbouwen, en een kritische geest ontwikkelen\u201d [Grabsi en Moussaoui 1998]. Dit is het radicale constructivisme: \u201cer bestaat geen waarheid\u201d over de werkloosheid, degenen die de oorzaak ervan bij de werklozen zelf leggen, bij het onderwijs, bij de werkgevers, bij het kapitalistische systeem of bij een of andere subtiele mengeling tussen die verschillende factoren hebben allemaal evenveel gelijk. Het zijn eenvoudigweg lezingen op verschillende hypothesen gebaseerd\u201d. Met des te meer reden bestaat er dus geen \u201cabsolute oplossing\u201d (een stelling die de patronale organisaties zeker zullen bijtreden die vooral willen dat die absolute oplossing niet gevonden wordt). De \u201ckritische geest\u201d die het radicale constructivisme ons hier voorschotelt bestaat erin geen kamp te kiezen, maar iedereen op gelijke voet te zetten.<\/p>\n<p>We zien dus dat het competentiegerichte onderwijs zich op geen enkele band kan beroepen met het pedagogische constructivisme, maar integendeel rechtstreekse banden vertoont met het filosofische constructivisme. En tussen die twee betekenissen van het woord \u201cconstructivisme\u201d is er even weinig verband als tussen de twee betekenissen van het woord \u201cmaterialisme\u201d: het filosofische materialisme (alleen de materi\u00eble wereld bestaat) en het morele materialisme (alleen mijn eigen materieel welzijn interesseert mij). De stelling dat het competentiegerichte onderwijs een constructivistische pedagogie zou zijn is even weinig gefundeerd als degene die alle athe\u00efsten voor onverbeterlijke ego\u00efstische genotzoekers houdt.<\/p>\n<p>Gelukkig nemen niet alle verdedigers van het CGO de meest radicale standpunten in. Bij vele auteurs merkt men een sterke verwarring en een ongetwijfeld eerlijke gehechtheid aan de constructivistische pedagogie. Zo gaat het er voor de Vlaamse Onderwijsraad om een voorkeur uit te drukken voor een \u201cbenadering die de (\u2026) leerinhouden aanbrengt vanuit een levensechte probleemstelling\u201d. [VLOR 2004]. Wij zullen ons uiteraard niet verzetten tegen het principe om zin te geven aan de leerstof, voor zover de \u201clevensechte probleemstelling\u201d niet op een overdreven restrictieve manier begrepen wordt. De VLOR benadrukt dikwijls dit aspect van competentiegericht onderwijs \u201com het onderwijs aantrekkelijker te maken\u201d. Die bezorgdheid is zeer lovenswaardig. Maar moeten wij daarom al het vergif van de competenties er bij nemen? De onderwerping aan de dictaten van de flexibiliteit, de polarisatie van het onderwijs naar het beeld van de arbeidsmarkt, het neerkijken op kennis\u2026<\/p>\n<p>Wij geloven ook in de eerlijkheid van dit collectief van Belgische onderzoekers voor wie \u201ddoor het instappen in die pedagogische weg (het CGO), de school beantwoordt aan de noodzaak om zin te geven aan de leerstof, en aan de vaststelling dat de leerling geen vat is dat de leerkracht moet vullen maar een persoon die zijn kennis opbouwt, in functie van wat hij is (\u2026). Door te kiezen voor een pedagogie van opbouw van kennis en verwerven van competenties, hoopt de school het volume van \u201cdode kennis\u201d te verminderen ten voordele van de \u201clevende kennis\u201d. [Deneyer et al. 2004]. Wij kunnen ons vinden in het hele eerste deel van dit discours. Maar op het einde loopt het vast in contradicties. Men spreekt van het aannemen van \u201ceen pedagogie van opbouw van kennis en verwerven van competenties\u201d maar elders zegt men ons dat de kennis in het competentiegerichte onderwijs niet meer het doel van het leerproces moet zijn. Wij staan ook heel kritisch tegenover de uitdrukkingen \u201cdode kennis\u201d en \u201clevende kennis\u201d. Want de enige kennis die hier als \u201clevend\u201d erkend wordt is degene die de leerling effectief op het moment zelf gebruikt om een taak op te lossen. Maar, vermits de schooltijd noodzakelijkerwijze een limiet zet op de hoeveelheid originele, vernieuwende, mobiliserende taken die de leerlingen kunnen uitvoeren, leidt men ons via die weg naar een verschrikkelijke verarming van het onderwijs.<\/p>\n<p><strong>Nico Hirtt<\/strong><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Het competentiegericht onderwijs wordt soms voorgesteld als erfgenaam van de pedagogische traditie van het constructivisme. Sinds de theoretische werken van Piaget en Vygotski en door de bijdragen van praktijkmensen zoals C\u00e9lestin Freinet heeft deze benadering het progressieve denken en de bijhorende pedagogische praktijk beheerst van de jaren 1950 tot 1970. En inderdaad, in de theoretische geschriften over het competentiegericht onderwijs (CGO) vindt men vele uitdrukkingen die rechtstreeks uit de werken van de constructivistische pedagogen afkomstig lijken: de wil om &#8220;de leerlingen aan het werk te zetten&#8221; op &#8220;probleemvelden&#8221;, om &#8220;zin te geven aan kennis en leren&#8221;, de aandacht die geschonken wordt aan de &#8220;activiteit van de leerling&#8221; als motor voor de &#8220;opbouw van kennis&#8221;, &#8230;excuseer van competenties. Maar bij nader onderzoek is het verband totaal ongegrond. Integendeel, het competentiegericht onderwijs situeert zich lijnrecht tegenover de constructivistische of socio-constructivistische pedagogie.<\/p>\n","protected":false},"author":4,"featured_media":1465,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[],"tags":[],"class_list":["post-1466","post","type-post","status-publish","format-standard","has-post-thumbnail","hentry"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/1466","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/users\/4"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=1466"}],"version-history":[{"count":0,"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/1466\/revisions"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/media\/1465"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1466"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=1466"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/blog.skolo.org\/CM\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=1466"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}